Om te kunnen badmintonnen heeft het lichaam energie nodig. Er wordt onderscheid gemaakt in drie verschillende energiesystemen,waardoor spieren in het lichaam hun werk kunnen verrichten bij het slaan, lopen, springen, etc.
Uit allerlei onderzoeken blijkt dat badmintonners vooral gebruik maken van de eerste vorm van energie: alactisch, anaeroob.De meeste rally’s duren immers niet langer dan 10 seconden. Tussen de rally’s door wordt de energievoorraad weer aangevuld.De andere twee vormen van energievorming zijn wel van belang. Een totale wedstrijd duurt immers veel langer dan 10 seconden.
Alle energiesystemen kun je trainen/verbeteren. De eerste train je vooral door met een hoge inspanning van korte duuroefeningen te doen. De tweede train je door deze oefenvormen net iets langer vol te houden (15-30 seconden). De laatste trainje door inspanning van nog langere duur. De ideale combinaties van deze trainingsvormen zijn afhankelijk van o.a. de speler,tactiek, getraindheid, tijd van het seizoen en het oog van de meester (de trainer).
Training en overbelasting
Zeker in deze fase van het seizoen ligt overbelasting van spelers op de loer. In de perioden waarin gepiekt moet worden (nationale jeugdkampioenschappen) is de balans tussen belasting en belastbaarheid van spelers wel eens zoek. Overbelasting herken je onder andere aan:
De meest eenvoudige oplossing is: RUST. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat een speler helemaal niet mag trainen, maar wel met een veel lagere intensiteit. Of gewoon even niet badmintonnen, maar fitnessen of iets dergelijks. Vaak wordt door trainers vergeten dat RUST een belangrijk element van training is. De zogenaamde supercompensatie (positief effect op de belastbaarheid na een intensieve training of trainingsperiode) plaats vindt tijdens een fase van RUST. Het grootste probleem is echter dat RUST voor elke speler heel erg specifiek is. Training is daarom ook vooral KUNST, naast KUNDE. Voor de trainer betekent dit o.a.: veel praten met de speler, ouders en eventuele andere trainers; kijken naar de spelers; trainingsplan maken voor hele seizoen (wanneer pieken, wanneer intensief trainen, wanneer rustig trainen, wanneer meer kracht, wanneer meer techniek, etc); spelers testen (matig presteren bij een test wordt mogelijk veroorzaakt door overbelasting).
Drankjes (door sportarts Hans van Kuijk)
De mens is net een machine. De spieren zijn de motor, bloed en vaten vormen de brandstofleiding en het hart is de brandstofpomp. Tot de brandstoffen behoren:
Vocht is belangrijk bij presteren. Zodra je 1 a 2% vocht verliest (ca. half liter) wordt je prestatie minder, dus moetjevocht regelmatig aanvullen. Vocht verlies je vooral door te zweten. Bij prestaties langer dan 45 minuten, moeten ook de brandstoffen worden aangevuld. Tijdens inspanning kun je het beste snel opneembare brandstoffen (suikers) nemen. Liever drinken dan etendus. De snelheid waarmee suikers worden opgenomen wordt bepaald door de concentratie Koolhydraten. Ideaal is: 60-80 koolhydraten per liter vocht.
Koolhydraten aanvullen:
Tijdens de inspanning: drankje met 60-80 koolhydraten per liter vocht (snelle brandstoffen). Na de inspanning: snel goede koolhydraten aanvullen. Dus zetmeel, bijvoorbeeld: rijpe banaan, ontbijtkoek, ligakoek, sultana, eierkoek, steeds in combinatie met water. Dat betekent geen wortels of komkommers, of iets dergelijks.
Voorbeelden van dranken:
Achter elk drankje staat: koolhydraten/energie in kilojoules/energie in kilocalorieën
Op basis van bovenstaande kun je dus zelf je keuze maken. Tijdens de inspanning dus het liefst Extran Fresh of limonade. Voor meer informatie over het voorkomen van blessures, zie www.blessurevrij.nl.